Broedt doorgaans in wilgen en in laag, open berkenbos
op of nabij toendra of hoogvenen. Zelden in hooggelegen, hoog en gesloten
berkenbos.
Kenmerken
Lijkt sterk op Grote Barmsijs en in sommige kleden
onmogelijk met zekerheid te determineren. Snavel klein en spits, met
recht culmen. Los en donzig verenkleed. Witte, vaak ongestreepte stuit
vaak zo groot als suikerklontje; sommige (vooral 1e winter) met weinig
wit op stuit lijken dan sterk op Grote Barmsijzen..
Trek
Broedt erg noordelijk. Sommige exemplaren trekken in
winter met Grote Barmsijzen diep zuidwaarts tot West-Europa .
Aantallen
In Nederland dwaalgast met 92 exemplaren tot en met
1996 (midden oktober-begin april). Vaak invasieachtig voorkomen.