Broedt in berkenbos, jonge naaldbomen en kleine, dichte
groepen loofbomen in weiden, duinen en heide. Minder vaak in wilgen
op kale hellingen. Broedt ook in tuinen, boomgaarden en op begraafplaatsen.
In Alpen vaak in lariksbossen boven 1400m.
Kenmerken
Kleiner dan Huismus. Kleine, gele, spitse vinksnavel met donker culmen. Lichte vleugelstrepen, zwarte bef, zwart teugelgebied,
en donker voorhoofd met rode voorkruin. Iets toegeknepen ogen. Alleen
adult mannetje in het voorjaar heeft veel helderrood op de borst; verder
zijn geslacht en leeftijd in veld moeilijk te bepalen. Kan onder gunstige
omstandigheden alleen met Witstuitbarmsijs verward worden.
Trek
Standvogel, met in sommige winters invasieachtig voorkomen
van noordelijke vogels (oktober-maart).
Aantallen
Broedvogel in Nederland sinds '1970. In de negentiger
jaren is de stand weer danig ingeslonken.