Broedt op heide met wat struikgewas aan de kust of
in hooggelegen terrein, soms ook in open naald- of eikenbos met gaspeldoorn
en heide.
Kenmerken
Klein, zelfs nog kleiner dan Brilgrasmus, maar met
langere, vaak omhooggehouden staart. Vlucht fladderend, met op-en-neergaande
staart. Lijkt op afstand en bij slecht licht vaak geheel donker. Iris
roodbruin, oogrand rood. Beide geslachten zijn gelijk. Nestelt laag
in struik.
Trek
Voornamelijk standvogel. Zuidelijke soort: voornamelijk
in Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk en Noord-Afrika.
Aantallen
Dwaalgast in Nederland met drie gevallen tot en met
1999 (januari, april, november).