Broedvogel en overwinteraar op meren, rivieren, plassen en
beschutte baaien. Wilde Zwanen zijn duidelijk minder aan zoet water gebonden
dan Kleine Zwanen.
Voortplanting
Nestplaatsen zoeken Wilde Zwanen vaak ergens beschut op een
eilandje in het water. Het wijfje bouwt het grote nest van riet en waterplanten
die door het mannetje worden aangevoerd. Eind mei, begin juni produceert
ze een legsel van 3 à 5 eieren, dat na zo'n 30 à 35 dagen
uitkomt. De jonge zwaantjes zijn in het begin zilvergrijs met wit. Vervolgens
krijgen ze grijsachtig bruine veren op de kop en witte veren met een grijze
punt op het lichaam. Na 8 weken kunnen ze vliegen.
Voedsel
Tijdens de zomer vindt de Wilde Zwaan voldoende waterplanten,
mollusken en insecten om zich mee te voeden, terwijl hij 's winters, anders
dan de kieskeuriger Kleine Zwaan, zijn voedsel op stoppelvelden zoekt.
Gedrag
Zowel de Wilde als de Kleine Zwaan is luidruchtiger dan de
bekende Knobbelzwaan en vooral de Wilde Zwaan heeft een luide trompetroep.
Daarentegen zijn ze tijdens de langzame, krachtige vlucht relatief stil
en maken hun vleugels niet het zingende geluid dat dan bij de Knobbelzwaan
te horen is. Wilde Zwanen vliegen groepsgewijs in de typische V-formatie
of in een schuine lijn. Families blijven vaak bij elkaar en waar voldoende
voedsel is, vormen zich grote groepen die weilanden afgrazen.
Kenmerken
Een volwassen Wilde Zwaan heeft een driehoekige kop en houdt
zijn hals recht omhoog. Ze worden soms bruinachtig van het ijzerrijke water.
Het gele snavelgedeelte is bij de Wilde Zwaan hoekiger dan bij de Kleine
Zwaan. Een jonge Wilde Zwaan is meestal lichter dan een jonge Kleine Zwaan.
Geslachten gelijk.
Trek
Hij broedt hoofdzakelijk op IJsland en in Rusland. In Schotland
en op Orkney is het een schaarse broedvogel in de buurt van veenmeertjes
en eenzame lochs. In de winter vertrekken ze van daar naar het warmere zuiden.
Aantallen
In onze streken is de Wilde Zwaan een schaarse wintergast
(ca. 1000), die in strenge winters het talrijkst voorkomt.