Broedt in hooggelegen, meestal vochtige gebieden met
wilgen en op kale bergen, hoogvenen (ook toendra) en grote, open moerassen
met dwergberk, kruipwilg en struikgewas.
Kenmerken
Vrij zwaar gebouwde, middelgrote gors met nogal dikke,
korte snavel en lange, rechte achternagel. Snavel strogeel met donkere
punt. Poten donker bruin. Vrij waakzaam. Kruipt weg over de grond
of drukt zich, om bij opjagen hoog weg te vliegen, in krachtige vlucht.
Trek
Wintergast in open gebieden aan de kusten van West-Europa.
De meeste overwinteren op in cultuur gebrachte steppen van Zuid-Rusland.
Aantallen
In Nederland en België schaarse doortrekker (vooral
oktober-november) en vrij zeldzame wintergast, meestal solitair.