Wild ZwijnSus scrofa

Wild Zwijn (Sus scrofa)
foto: Rollin Verlinde
Data
lengte: 120 - 160 cm
schouderhoogte: 80 - 95 cm
gewicht: 70 - 200 kg
Biotoop
Het biotoop van het wilde zwijn bestaat uit voedselrijke loofbos of gemengde bossen. Het heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbestanden die in de herfst voor de begeerde 'mast' zorgen: de vaak rijke oogst aan eikels en beukennoten. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen.
Voedsel
Eikels en beukennootjes vindt het wilde zwijn op de grond, maar zijn voedsel zit vooral in de bodem: wortels, knollen, truffels, insectenlarven, muizen en salamanders. Zijn lange, sterke snuit en driekantige hoektanden zijn uitstekend geschikt voor het omwoelen van de bosbodem. Akkers laat het wilde zwijn ook niet ongemoeid, waarmee het de mens tot zijn grootste vijand heeft gemaakt.
Terminologie
Net als bij het edelhert heeft de mens ten aanzien van het wilde zwijn een aantal 'vaktermen' ontwikkeld. Zo heet de bronsttijd 'beentijd', de jongen van het eerste jaar 'frislingen', oudere jongen 'overlopers', het geslachtsrijpe mannetje 'ever' of 'keiler' en het volwassen wijfje 'zeug' of 'bache'. Een roedel wilde zwijnen noemt men een 'rotte' of 'rot', de dieren zelf 'zwartwild' of 'borstelwild', de slagtanden van de keiler 'houwers' of 'geweren'.
Voortplanting
De beentijd valt hartje winter. Onder de evers ontstaan dan verwoede gevechten om de baches. Hierbij proberen ze met de hoektanden elkaars flanken open te rijten, die echter door bijzonder dikke huid worden beschermd. Van de evers paart de overwinnaar met de baches. Tijdens de paring omcirkelt hij de bache, port haar onzacht met de snuit en maakt karakteristieke geluiden om haar in de juiste stemming te brengen. Vier maanden later (114 - 140 dagen) werpen de baches in april-mei hun 3 à 12 frislingen. Deze zijn direct na de geboorte al zeer beweeglijk, maar mogen het door de moeder gemaakte leger in dicht struikgewas de eerste week niet verlaten. Na drie weken kunnen ze zelf de grond omwoelen, maar ze worden nog ca. twee maanden gezoogd. De zeug staat alleen andere baches met frislingen toe in de buurt van haar biggen te komen. Dit is niet overbodig, want keilers schijnen tot kannibalisme te neigen. Een vijand (ook een mens) die toch in de buurt van haar kroost komt, wordt eenvoudig omvergelopen. Bij het drinken ontstaat een zuigorde, waarbij elke frisling zijn eigen tepel heeft. De aardige strepentekening van de frislingen dient ter camouflage en wordt een maand of zes door hen gedragen. Daarna krijgen ze het karakteristieke volwassen kleed.
Gedrag
Geslachtsrijpe mannetjes schuren graag met hun vacht langs boomstammen, vooral wanneer ze zich juist in een poel hebben gewenteld. Hierdoor markeren ze hun territorium. Door een bad in een modderpoel te nemen, tracht een wild zwijn van ongedierte, zoals varkensluis, af te komen en zijn pels te verzorgen.
Kenmerken
Het is nauwelijks voor te stellen dat het wilde zwijn de stamvader is van het kale, zware, zich maar moeizaam voortbewegende varken. De dichte, borstelig behaarde, zwartbruine vacht kenmerkt dit dier dat niet voor niets door jagers 'zwartwild' wordt genoemd. Wilde zwijnen hebben een lange, sterke snuit met een beweeglijke wroetschijf van kraakbeen om naar voedsel te zoeken. Volgroeide keilers bezitten grote hoektanden of houwers in boven- en onderkaak. Bij de zeug of bache zijn deze veel minder sterk ontwikkeld.
Aantallen
Door zijn scherp gehoor en reukvermogen, gezond wantrouwen, groot aanpassingsvermogen en moed weet deze evenhoevige zich echter uitstekend te handhaven.