FranjestaartMyotis nattereri

Franjestaart (Myotis nattereri)
foto: Rollin Verlinde

Data
lengte: 40 - 55 mm
spanwijdte: 24,5 - 28 cm
gewicht: 5 - 12 g
Frequenties
Het geluid van de franjestaart is moeilijk te onderscheiden van veel andere myotis-soorten. Ze zijn hoorbaar tussen 100-25 kHz, met de beste ontvangst tussen 45-50 kHz; ca. 11 tot 14 pulsen per seconde.
Biotoop
Bosbewonende soort, liefst met moerassen of waterpartijen. Meestal in boomholten, soms in spleten van gebouwen of spouwmuren.
Winterverblijven in grotten, groeven, forten en ijskelders. Bijna steeds in nauwe spleten weggekropen, soms zeer diep.
Voedsel
De franjestaart vliegt vrij laat uit, vanaf een half uur na zonsondergang, en jaagt tussen de 1 en 4 meter hoogte op kleine vliegende insecten, zoals nachtvlinders, spinnen, vlinders, kevers en zelfs overdag actieve vliegen. Hij kan 'bidden' als een torenvalk. Zijn voornaamste jachtstrategie is het nauwkeurig afzoeken van de vegetatie op zittende prooidieren (het zogenaamde 'foliage gleaning').
Voortplanting
De kraamkolonies bevinden zich meestal in holle bomen of nestkasten, een enkele maal in gebouwen. Ze bestaan uit 20 tot 100 vrouwtjes. Zoals bij bijna alle inheemse soorten is er slechts één jong per jaar dat in juni-juli wordt geboren en vliegt in augustus. Het eerste jaar is het van oudere dieren te onderscheiden doordat hij aan de buikzijde grijsbruin is, net als op de rug.
Gedrag
De franjestaart gaat dikwijls pas in december in winterslaap en verschijnt opnieuw in maart.
Kenmerken
Middelgroot met relatief lange oren met een lange lancetvormige oorklep (tragus). De dunne, doorschijnende oorschelp is vrij lang en de snuit smal, naakt en roze. De oren hangen naar opzij en zijn aan de achterkant gewelfd, terwijl de top is omgebogen. De naar voren gebogen oren steken iets voorbij de neuspunt. Opvallend is de spierwitte buik die afsteekt tegen de lichtgrijsbruine bovenzijde. Typisch maar moeilijk te zien is de franje van korte stijve haartjes aan het uiteinde van de staartvlieghuid (vandaar ook zijn naam).
Aantallen
In vrijwel geheel Europa, tot 60° noorderbreedte. In de Lage landen wordt deze soort regelmatig aangetroffen in overwinteringsverblijven.