lengte: 80 - 110 mm
staartlengte: 75 - 95 mm
gewicht: 17 - 28 g
Biotoop
De bosslaper heeft een voorkeur voor naaldbossen, maar op
500 à 1600 meter hoogte komt hij in loofbossen en boomgaarden voor.
Ook in de alpiene zone tot 2300 meter leven bosslapers. Ze zoeken er graag
de beschutting op van een oude berghut.
Voedsel
Het voedsel van de bosslaper bestaat uit insecten en hun
larven, jonge vogels en plantaardig materiaal zoals vlierbessen, rozenbottels,
scheuten, zaden, bessen en eikels.
Voortplanting
Het nest bevindt zich meestal 50 à 200 cm hoog in
het struikgewas. Het is kogelvormig, met aan de buitenkant bladeren en van
binnen gevoerd met gras. De paartijd valt in mei tot juli. Na een draagtijd
van 23 à 25 dagen brengt het wijfje jaarlijks één worp
voort van 2 tot 6 jongen.
Gedrag
Zoals alle slaapmuizen is de bosslaper een nachtdier. Hij
klimt vaak net als een eekhoorn krijsend een boom in als hij voor een vijand
vlucht. De duur en de vastheid van zijn winterslaap hangen af van de buitentemperatuur
en de in de nazomer en herfst gevormde speklaag. Ze overwinteren in een
holtes zoals de verborgen plekjes tussen boomwortels.
Kenmerken
In vele opzichten komt deze soort overeen met de eikelmuis,
maar zijn pluimstaart herinnert meer aan de Relmuis. De bosslaper heeft
een zwarte gezichtstekening, korte, afgeronde oren en een volle pluimstaart.
De bovenzijde is donkergrijs, de buikzijde witachtig.
Aantallen
Het belangrijkste woongebied van de bosslaper in Europa is
de Balkan; een uitloper ervan strekt zich tot in de Oostenrijkse Alpen uit.
De daar voorkomende Tiroler bosslaper (Dryomys nitedula intermedius)
is een ondersoort, die iets kleiner en grijzer is dan de hoofdsoort.